Het interieur van de kerk wordt gekenmerkt door twee ogiefbogen die de zoldering ondersteunen.
De laatste interventie heeft, na het verwijderen van het erg beschadigde intonaco van stenen van de muren, die de delen met belangrijke fresco’s (affreschi.)beschermde, aan het licht gebracht.
Op de linker muur een tweeluik met H. Antonius van Padua en Madonna con Bambino uit het midden van de XVde eeuw:
Links van de apsis is de kerkheilige H. Petrus en bovenaan rechts in de apsis Christus op het graf en Madonna con Bambino
Bij de verwijdering van het massieve altaar is de originele tafel en eronder een klassiek grafopschrift (epigrafe funeraria classica) die in muur ingewerkt werd
Aan de linkerkant van de apsis vindt men deze prachtige figuur van de heilige Petrus, patroonheilige van de kerk, welke Nessi dateerde aan het begin van de 15de eeuw.1
Meer recentelijk werd het toegewezen aan Bartolomeo da Miranda die in de vierde decade van de 15de eeuw erg aktief was in deze zona, vooral in het nabijgelegen Pietrarossa2. Recentelijk werd één van zijn werken in Bovara gevonden (sua opera a Bovara. )
Langs de linkermuur bevindt zich , nogal goed bewaard, een tweeluik met S. Antonius van Padua en Madonna met Kind. De versiering van het kleed van de Madonna met mooi gelaat is origineel. In de inscriptie kan men nog een deel van de datum bemerken: M4.., in volstrekte overeenkomst met de toewijzing van Nessi, die in zijn tijd omwille van de aanwezigheid van verschillende gedeponeerde voorwerpen, de basis van het schilderij niet kon onderzoeken.
De drapering van de figuur van de Madonna wijst naar de hand van Bartolomeo da Miranda of één van zijn leerlingen (onuitgegeven 2006)
Deze fresco gedateerd 1525, wordt toegeschreven aan
Paolo Bontulli da Percanestro.
De geometrische versiering van de achtergrond is identiek aan deze van de vereerde beeltenis van de Madonna della Stelle.
Dit mooi klassiek grafschrift wordt vermeld door de C.I.L. maar daarenboven was ze verloren omdat ze in het altaar ingewerkt was.1
De monumentale Duitse verzameling, samengesteld tussen de 19de en 20st eeuw, vermeldt haar daarentegen op grond van een voorgaand afschrift..2
Aan het licht gebracht tijdens de laatste restauratie-werken, kan men ze nu bekijken ingewerkt in de vloer van het koor, omdat ze zo gevonden is. De laatste regel,”ondergedompeld” mortel ontbreekt. (inedito 2000)
Ook met het povere licht kan men gemakkelijk lezen, in perfecte overeenstemming met het oude afschrift.
SVLPICIVS
L. L. EROS
PICTOR
IN FRONT P XV
(IN AGR. P XV)
Nochtans stelt het grafschrift hier voor Sulpicio, Liberto di Lucio, pittore, wiens graf 15voet meer voorwaarts en 15 voet binnen het veld ligt.
Aan de noordzijde een andere deur die als architraaf een maansikkel heeft en dichtgemaakt is met andere restanten.
Op 4 november 1998 heeft Bill Thayer uit Chicago, op bezoek in Trevi, een ander fragment van grafopschrift (frammento di epigrafe) in een hergebruikt marmerblok in een muur.
Hij heeft hierover reeds melding gemaakt in zijn grote website,waar hij ernaar verwijst.
De noordmuur was vroeger onnoemelijk bedekt met klimop, eraf gehaald bij de laatste interventie, en nochtans was het vermelde fragment lang verborgen gebleven.
Deur van de noordmuur met architraaf in de vorm van een maansikkel
Vertaling en bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
De ruïnes van de oude Kerk, toegewijd aan S. Stefano in Manciano di Trevi bevinden zich op 527 hoogte op top van de gelijknamige heuvel boven de Fosso Rio, die de grens vormde met Foligno.
In de periode van de oorlogen tussen belangrijke gemeentes vormde het een strategische positie als voorpost aan de noordzijde van Trevi met zicht op Foligno en op een groot deel van de vallei en het gaf de mogelijkheid van controle over de dalen ten noord-noordoosten van Trevi, die altijd zeer belangrijk waren en de wegen naar de Marca van Ancona en het Hertogdom van de Varano di Camerino openden.
Alleen de buitenmuren, de elegante halfcirkelvormige apsis en de crypte blijven over. Van de aanpalende oude abdij blijven alleen hier en daar enkele stenen over.
Van de klokkentoren, die volgens een document in 1610 door de bliksemgetroffen werd, blijft geen spoor over. De oprichting ervan zou kunnen teruggaan tot de 12de eeuw. Het was één van de belangrijkste bouwwerken van zijn tijd. Zoals alle kerken is zij met apsis naar het oosten en met de gevel naar het westen georiënteerd.
De asymmetrische plaatsing van de apsis ten overstaan van de as van de bouw en het portaal met twee toegangen doen een uitbreiding vermoeden, naar het zuiden toe, met de daaruit voortvloeiende afbraak van de originele muur aan de rechterzijde van wie binnenkomt.
De uitstekende muurtextuur, met goed bewerkte blokken uit degelijke lokale kalksteen, onderstreept een zeer accurate constructie, ook in de nadien bijgevoegde gedeelten.
De rondboog van een zijdeur in de zuidermuur laat toe de uitbreiding te dateren wanneer in de streek nog geen
Gotische spitsboog bekend was en nochtans zou het meest recente deel van de constructie in de eerste helft van de 13de eeuw opgericht moeten zijn.
Porta laterale
De ingangen van de voorgevel zijn zeer zorgvuldig ontmanteld en herzet terwijl men helemaal niet weet hoe zij er in het begin uitzagen.
Aan de binnenzijde van de noordermuur kon men in het begin van de 80-er jaren nog sporen van kleur op enkele flarden van bovenliggende pleisterlagen (intonaco), terwijl men geen weet heeft van de sluitstukken van de drie bogen die de zoldering ondersteunden
Mondelinge getuigenissen in de 70-er jaren vertellen dat in 1920 de kerk nog in gebruik was voor kerkelijke diensten. Een jager herinnert zich dat in 1956 nog een restant van een dak “ aan de apsis” bestond, waaronder hij bescherming zocht bij een wolkbreuk.
Vertaling en Bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
Het gebouw staat boven de staatsbaan Flaminia, die als gevolg van een uitbreiding van 1961 een gedeelte van het terrein heeft ingenomen.
Wegens de uitgebreide industrialisatie van de zone hebben verschillende gebouwen, inbegrepen de niet meer gebruikte serres, het bestaande gebouw, dat tot het einde van het vierde deel van de eeuw veel meer imponerend was wanneer het het enige complex was in een groot gebied alleen bedoeld voor landbouw, zo goed als verstikt.
Het complex kan beschouwd worden al gevormd door drie onderdelen, één in het centrum, één naar het noorden en één naar het zuiden, die allen gebouwd werden op verschillende momenten en verschillende keren aangepast.
Gevel en deurstijlen van de oude kerk
Steen geplaatst door de abt Filippo Valenti.
Het oudste gedeelte is het gelijkvloers van het centrale deel, waarin zich de gevel van de romaanse kerk, toegewijd aan S. Tommaso bevindt.
Het is een mooie constructie in bewerkte steen in klassieke romaanse stijl, vermoedelijk uit de 12de eeuw.
Zoals vele kerkjes uit deze periode in ons gebied is zij minutieus met de voorgevel naar het oosten gericht. Zij wordt overheerst door een meer moderne constructie, vermoedelijk uit het tweede deel van de 19de eeuw, wanneer het gebouw eigendom werd van de Congregazione di Carità en herbouwd werd als boerderij.
Uit dezelfde periode kan men de bouw of de aanpassing van het zuidelijk gedeelte toeschrijven (richting Parrano) . Het noordelijk gedeelte richting berg is daarentegen een zeer oud
Bouwwerk, een weinig later dan de kerk, voorzeker de leprozerij. Het gedeelte naar de vallei werd vervolgens bijgevoegd en toont de karakteristieke buitentrap van de landhuizen van de streek.
De steen bevat volgende tektst
SISTE VIATOR AC DISCE NOVUM LOCI DECUS HIC UBI ANNO MDCCXXXIV MENSE MARTIO MORATUS EST CAROLUS III REX HISPANIARUM CUM AD UTRIUSQUE SICILIAE REGNI POSSESSIONEM CAPESSENDAM PROGREDERETUR PIUS VI PONT.MAX. CUM VINDOBONA ROMAM REDIRET PARUMPER CONSEDIT A.D. III IDUS IUN. ANNI MDCCLXXXII UT COLLEGII CANONICORUM ET DECURIONUM TREBIATIUM OBSEQUIA EXCIPERET PHILIPPUS VALENTIUS ABBAS ECCLESIAE S. THOMAE MONUMENTUM PONI IUSSIT.
Die als volgt kan vertaald worden:
Stop reiziger en erken de nieuwe schoonheid van de plaats
Hier waar in maand maart van 1734
Karel III koning van Spanje verbleef
Terwijl hij op weg was om bezit te nemen
Van het Koninkrijk der beide Siciliën
Pius VI, pontifex maximus,
Wanneer hij naar Rome terugkeerde van Wenen
Verbleef kort op 11 juni 1782
Om de eerbetuigingen te ontvangen
Van het college van geestelijken en Trevaanse leiders.
Filippo Valenti
Abt van de kerk van S. Tommasso
Liet de steen aanbrengen
Bij een verder onderzoek van de melding op deze steen, noteerde Tiberio Natalucci in zijn gedenkschriften in 1824
“op 21 mei werd Pius VII ontvangen in de kerk van S. Tomasso van Trevi, en in het nabije gebouw werd hij samen met zijn gevolg vergast op een overvloedige verfrissing”.
Vertaling en bewerking Ludo De Graef-Antwerpen 2010
De geschiedenis van Trevi ligt verloren in de duisternis van de tijden. Latijnse schrijvers klasseren haar als een stad van de Umbriërs en de recente vondst van een grafschrift bevestigt dat, maar op haar territorium verbleven ook prehistorische beschavingen, zoals vondsten uit het paleoliticum aantoonden.
Het verkreeg een groot belang, wanneer tijdens het keizerrijk de oorspronkelijk loop van de Flaminia hersteld werd en in de vlakte in Pietrarossa zich een echte “stad” met monumentale gebouwen, waarvan verschillende overblijfselen zijn,ontwikkelde, terwijl op de helling nog altijd een vesting met robuuste muren uit de 1ste eeuw VC zichtbaar is. In de Oudheid had Trevi de controle over een groot deel van het dal tot aan de Monti Martani en over vele “villa’s” van de heuvelzone in het oosten. Het was bisschopszetel tot het begin van het IIde millenium.
Het werd onder de Longobarden een administratieve hoofdplaats en vervolgens (begin 13de eeuw) een vrije Comune. In een verbond met Perugia om zich tegen Spoleto te verdedigen bevond het zich meermalen in conflict -met wisselend succes- met aangrenzende communes. In 1386 werd het opnieuw onafhankelijk.
Het onderging dan het gezag van verschillende “capitano” en voornamelijk dat van het funest vicariaat van de Trinci van Foligno tot het einde van 1438. Als direct dominium van de Kerk, onder de bewindvoering van Perugia, volgde Trevi het lot van de Pauselijke Staten tot aan de eenmaking.
Op het einde van de Middeleeuwen en in de Renaissance had het zijn beste periode, gekenmerkt door belangrijke handelspraktijken ( het werd “de droge haven” genoemd )en culturele activiteiten kwamen tot leven. In 1469 werd één van de eerste Monte di Pièta opgericht en in 1470 kwam er een drukkerij, de vierde in Italië en geleid door de eerste Drukkersgemeenschap (gilde) waarvan we kennis hebben.
In 1784 kreeg het van Pius VI de titel van stad.
(Vertaling en Bewerking: Ludo De Graef -Antwerpen 2009)
Het theater heeft twee niveaus met loges. Na de laatste aanpassing ten einde te voldoen aan de veiligheidsnormen kan het 200 toeschouwers bevatten. Het werd gebouw in 1875 met private financiering, waardoor iedere familie zich een loge voorbehield. Het werk werd toevertrouwd aan architect en bouwheer Domenico Mollajoli die zich met succes reeds aan dergelijke werken gewaagd had. Het zeer mooi theatergordijn getekend en gedateerd 1877 is het werk van Domenico Bruschi en stelt Keizer Caligula voor die offers plengt voor de god Clitunno.
Facciata
Ingehuldigd in 1877 met de voorstelling van een lyrische opera, bleef het theater het centrum van culturele, recreatieve en sociale activiteiten. In 1932 werd het op verschillende plaatsen aangepast ten einde beter aan de nieuwe eisen tegemoet te komen. De scene werd aangepast, er werden kleedkamers in metselwerk gebouwd en de elektriciteit werd ingewerkt. In 1955 werd het met kleine aanpassingen omgebouwd tot bioscoop en onderging in het volgende decennium mee de ondergang van de bioscopen. In 1965 en 1966 herbergde het enkelen van de belangrijkste theatermensen door de toekenning van de “Premio Città di Trevi”. Volledig overgenomen door de Comune werd het in de jaren 1987-1993 volledig gerestaureerd met de fondsen FIO. Met de vertoningen van het theaterseizoen en verschillende andere manifestatie ( concerten, conferences) wordt het nu 50-60 keer per jaar gebruikt.
Vertaling en Bewerking: Ludo De Graef Antwerpen 2009
L’olivo di Sant’Emiliano, circondato da germogli novelli generati dalle radici degli olivi tagliati dopo la gelata del 1929. Foto Nazzareno Scaringi – 1934 (da: A. Bonaca, Il martirio di S. Emiliano vescovo di Trevi, Spoleto, 1935)
In varie epoche si chiamò anche Palazzo del Podestà: mai Palazzo di Priori come ultimamente si vuol denominare
.1
Vi dimorava il Governatore, funzionario con l’incarico di amministrare la giustizia, generalmente forestiero per garantire l’imparzialità. Ospitava la cancelleria criminale e il carcere “del Cavaliero” o del “Barigello” come racconta puntualmente il Natalucci.2
Nel particolare in alto a sinistra, che ritrae la piazza come era nei primi del 1600, si possono notare anche la finestrella del carcere con l’inferriata e la loggia fattavi costruire da Monte Valenti nel 1575, usata per “
la matricola dei notari”
Successivamente il palazzo ospitò la Pretura (con giurisdizione sulle comunità di Trevi,
Sellano
e
Montesanto
) che fu poi fu soppressa nel 1891, ma nel 1911 fu concessa a Trevi una “sezione”
che per uno o due giorni al mese ha funzionato fino agli anni ’60.
.3
A seguito del terremoto del 1997 il palazzo è stato completamente restaurato e ora ospita alcuni uffici comunali.
In uno stanzino attiguo alla sala delle udienze dell’ex Pretura è rimasta l’immagine di un santo vescovo [inedito maggio 2005], unico resto delle immagini della Madonna e dei Santi che secondo il Natalucci decoravano le stanze.4.
Il Palazzo dei Priori, altrimenti detto Palazzo del Comune come anche oggi si chiama, è quello che chiude tutto il lato est della piazza con l’ampio portico “…
che in parte verso la Piazza è sostenuto da otto colonne
Manifestazioni in onore di Pietro Vannucci detto Perugino Perugia – Umbria 28 febbraio – 5 settembre 2004
Tra le non molte località che ospitano un’opera del Perugino si può annoverare anche la nostra Trevi che pertanto figura tra gli itinerari d’arte quali momenti delle grandi manifestazioni.