Het luchtige en helder interieur is een centraalbouw met een Grieks kruis met uitbreiding van de arm van het presbyterium.
Tussen de armen van het kruis openen zich vier verbindingskamers met een koepeltjes.
Het is gebouwd in zeer goede neoklassiek waarin bogen en uitspringende Corinthische pilasters overvloedig aanwezig zijn.
Maar de volledige elegantie van het ontwerp manifesteert zich in het overlopen van de bogen in de koepel.
Architect Luca Carimini, omschreven als “neoquattrocentecista” ( = vrij vertaald Nieuwe Vijftiende-eeuwer) werd recentelijk door de groep van Prof Portoghese, die er zijn rol in de architectuur van de tweede helft van de 19de eeuw heeft omschreven, gerevalueerd
Vertaling en Bewerking Ludo de Graef – Antwerpen 2010
Het is het werk van Rocco di Tommaso da Vincenza, een fijne beeldhouwer die behoorde tot die groep van noordelijke kunstenaars, die zeer veel in onze streek werkten. Ze werden “de Lombarden” genoemd en in Trevi ontstond onder die naam een gilde die de beeldhouwers verenigde, verschillend van de “Scapellini” die de stenen snijden en de ontwerpen ervan maken.
Het altaar werd bij de kunstenaar, die toen in Foligno woonde, besteld door de Confederatie van het Sacrament als gevolg van het belangrijke testament van
Virginia Procacci.
De beelden van de Madonna en H. Jozef, die de zijkapellen versieren zijn werken van Mattia di Gaspare di Como, waarvoor zich ook dezelfde Maestro Rocco garant stelde.
Het altaar, gehouwen in zachte steen van de Apenijnen (niet bewolkte steen) openbaarde een buitengewone meesterlijkheid van de kunstenaar, die zich niet meer zou herhalen. Alle verschillende elementen , waaruit het bestond (kolommen, gedecoreerde tegels, inlegwerk) en plinten) zijn volledig verschillend de één van de ander om zo een compex van bewonderenswaaridge eenheid te vormen
Het is voorzeker één van de mooiste monumenten van Trevi en een meesterwerk van Italiaanse kunst.
De iconografie en de inscripties zijn meer geinspireerd door de klassieke dan door de Christelijke kunst geinspireerd, een tendens die nogal eigen was aan het begin van het Cinquecento tot het Concilie van Trente, zodat de opstelling van tabernakel op een zo hoge plaats de celebrant boven de tafel dient uit te stijgen om het te kunnen bereiken.
Wanneer in de tweede helft van het Ottocento de kerk van S. Emilano bijna volledig werd heropgbouwd, werd het altaar, dat tegen een af te breken muur stond, deel per deel ontmanteld om daarna opnieuw samengesteld te worden op de huidge plaats. Maar de bekwame technici, onbekend met de Theologie, hebben enkele onderdelen discutabel opgesteld, zoals de kelk, symbool van de verlossing, die opgehesen werd tot het bovenste deel boven het Eeuwige (tabernakel).2
Deze eigenaardigheid bracht zonder meer het verlagen van het ganse monument met zich meer, die zo rechtstreeks in de bevloering van de kerk ingewerkt werd. Daarenboven bleef een lege plaats na het verwijderen van de kelk boven het tabernakel die opgevuld werd met een gedecoreerde tegel met het hoofd van een serafijn, copie in kalk van een bovenliggende tegel.
Andere eigenaardigheden kunnen een dramatische afbraak en heropbouw van het werk, zoals enkele kanten van de tegels van de plint, maar dit raakt niet aan het monumentale en suggestieve complex, doen uitkomen.
Nochtans is recentelijke andere schade erbij gekomen hetzij door het ongure klimaat of door onvoorzichtigheid van de mensen. Als gevolg van de insijpeling van water tijdens de sluiting van de kerk in afwachting van de restauratie na de aardbeving van 1997 zijn er onherstelbare oppervlakkige scheuring van de steen van de uitstekende pilaar rechts aangebracht.
Deze eenvoudige grafplaat, herplaatst in de nabijheid van het Altaar van het Sacrament valt op door zijn Sibillijnse inscrriptie, ontcijferd door Natalucci3
D.O.M. P.P.M.M.M.P.P.
Ge moet lezen: Deo Optimo MaximoPropter Propriae Mortis Memoriam Mutius Petronius Posuit
Aan Oppergod Maximus – In herinnering aan zijn dood rust Mutius Petronius
Vertaling en Bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
In de kapel achteraan in het pseudoschip rechts staat een mooi beeld in traventijn van de beeldhouwer Cesare Aureli, een kopij van hetgeen uitgevoerd is voor de Logge van Rafael in het Vaticaan.
Het is het laatste van zijn werken die aan Trevi zijn gegeven na de buste van S. Franciscus in het klooster van S. Martino en het ontwerp van Galileo en Milton nu in het museum van S. Francesco.
Het werd uitgevoerd onmiddellijk na WO I en de auteur zegt in de rechterhand met de scepter een olijftak geplaatst te hebben als symbool van de bevrijding van de geesten, verbitterd door het conflict en de na-oorlogse gebeurtenissen.
Zoal s de foto van het ontwerp bewaard in de parochie,dacht men eraan het beeld boven op de campanile te plaatsen, waar men op het moment wachtte dat het beëindigd werd. Gelukkigerwijze heeft men voor de huidige situatie gekozen
Het opschrift op de sokkel is van de hand van paus Benedictus XV en is eveneens een verheerlijking van de vrede.
Vertaling en Bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
Werk uit de 15de eeuw, die volgens de getuigenis van kroniekschrijver Francesco Mugnoni, uit de kerk van San Martino werd gehaald samen met de kapitelen die buiten aan de deurstijlen staan.
Bij de reconstructie van 1893 werd het in de eerste apsis, in de nabijheid van de kleine poort ondergebracht.
De huidige plaatsing in de centrale apsis dateert uit 1969.
Vertaling en Bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
4. Rappresentazione pittorica della passione di S. Emiliano
itinerario giubilare
De martelingen van S. Emiliano
Op de oude 16de eeuwse zangertribune, boven de hoofdingang, zijn verschillende scènes van het martelaarschap van de heilige afgebeeld. Zij zijn afgebeeld in 7 panelen in olieverf op hout.
Zij zijn goed bewaard ook al zijn in sommige panelen enkele krassen of scheuren te bemerken, die de integriteit ervan niet in vraag stellen.
De kleuren zijn nog briljant.
Men kent de exacte datum van uitvoering van het werk niet, maar voorzeker gaat het terug ten minste tot na 1660, wanneer de cultus van San Emiliano een nieuwe revival kende, te wijten aan het ontdekken van de relikwieën van de martelaar in de dom van Spoleto.
De naam van de schilder is niet bekend. Naar aanleiding van het onderzoek van de menselijke figuren, alhoewel elegant in hun kleine en compacte vorm, kan men argumenteren dat het geen grote meester was maar zeker een goede amateur.
Alle episodes van de marteling zijn beschreven in PASSIO SANCTI MILIANI MARTIRIS, die het oudste document in verband met S. Emiliano is. Van de Passio bestaan twee codexen: één in Montecassino, gedateerd tussen de 9de en 10de eeuw en één in de Dom van Spoleto uit de 12de eeuw. Men denkt dat het kopieën zijn van andere codexen uit de 5-6de eeuw.
Het linker paneel stelt de geseling van de heilige voor. Deze staat sereen in het centrum van de afbeelding,
omgeven door vier beulen . Op de achtgergrond het mooie perspectief van een groot en breed portiek.
De volgende scene is een enigszins vrije interpretatie van een foltering met een doorn, zoals beschreven in de Passio. De martelaar ligt uitgestrekt op een statief met handen en voeten gebonden met touwen die gespannen gehouden worden door twee beulen die de lieren bedienen. Een derde beunhaas is bezig de flanken van de heilige te bewerken met twee toortsen, waarvan er evenwel één gedoofd is door de goddelijke tussenkomst.
Het centraal paneel stelt de heilige omgeven door de leeuwen van het circus voor. Vier wilde beesten bevinden aan de voeten van de Heilige Emiliano, die afgebeeld is met de kostbare mantel en de bisschopsmijter. Vanop de toeschouwersplaatsen van het circus vertonen zich groepen toeschouwers.
Hier wordt de marteling met gesmolten lood afgebeeld.. De heilige wordt in een grote ketel ingedompeld, terwijl twee beulen het vuur aanwakkeren. Op de linker achtergrond een klassiek beeld die één van de heidenen simboliseert, aan wie onze martelaar weigerde eer te bewijzen ten koste van zijn leven.
Bij de schaare iconografie van S. Emiliano weerhouden alle aangepaste scenes deze episode, die in het algemene idee de klassieke marteling van de Christenen voorstelt.
Interessant is ook de verwijzing naar het circus of het theater in Trevi, andere getuigenis dan in de Passio en in andere literaire en iconografische bronnen.
Daarom is deze episode van de marteling een gezaghebbende historische getuigenis geworden,ook al is de historische getuigenis niet het doel van de Passie, alleen voor de spirituele opvoeding van de lezers bedoeld.
Bij deze episode van de Passio is een referte naar dit gebied met de beschrijving van de de poging tot verdrinking van de heilige in de Clitunno ( de stroom Cleoton).
Inderdaad hebben in de middeleeuwse mentaliteit de heilige patroon en de beschermde stad zich diep en wederzijds met elkaar geindentifiseerd, zozeer dat zeggen “van S. Emilano” gelijk was met het zeggen “trevaans of betreffende Trevi”.
De Clitunno is een sterk karekteristiek element van het Trevaans gebied want het is de belangrijkste eeuwige waterweg, die hier liep en was een exclusieviteit van Trevi, waar hij op het gemeentelijk gebied ontsprong en bij het verlaten van het gebied van naam veranderde en in een artificieel bekken vloeide.
Het landschap op de achtergrond is interessant . Links , op een heuvel met steile flanken, verschijnt een ommuurde stad, die zou kunnen geidentificeerd worden als Trevi: een spitse campanile en vierkante toren steken af. In het centrum , in de verte, een grote stad, waarschijnlijk Spoleto met vele torens.
Hier wordt de martelaar voorgesteld in een wiel. De Heilige nog steeds met een sereen uiterlijk is vastgebonden aan een groot wiel, dat de beunhazen bezig zijn van een steile klif te storten.
Ook deze episode, vertelt de Passio, eindigt met de overwinning van de heilige die er ongedeerd van af komt, terwijl het wiel, afwijkend van zijn traject, een slagveld maakt van de heidenen.
Op de achtergrond ziet men de sporen van een stad, gelijk aan die uit de vorige scene, vermoedelijk te identificeren als Spoleto.
De laatste scene stelt de heilige voor vlak voor de onthoofding. Hij zit aan de voet van een olijfboom met gebonden handen en een knie op de grond. De beul aan de linkerkant staat met het zwaard om de slag toe te brengen, terwijl aan de rechterkant een personnage in het pak van een Romeinse soldaat het bevel geeft met een een handgebaar.
Deze dramatische scene is interessant omwille van de verschillende elementen van het landschap: in het centrum de olijfboom, vemeld in de Passio, rechts de kerk van Bovara – te herkennen door de campanile met koepel, ook door een kras lelijk gemaakt, en hoger op een heuvel een ander romaanse kerk met gewelf.
De olijfboom is deze die door de traditie, zich sinds onheuglijke tijden, il Piantone di San Emiliano noemt.
Het kerkje op de heuvel zou Croce Alta, ook La Cura, kunnen voorstellen, heden op het kerkhof van Lapigge of zonder meer S. Arcangelo, een stad veel hoger op de berg dan het perspectief van de schilderij toont, maar aan de bogen en poorten die op de linker muur te zien zijn, zou het makkelijk kunnen vereenzelvigd worden met de
laatste.
Al deze kerken die na de periode van het werk zijn gewijzigd, zijn niet erg gelijkend meer op deze die de schilder ziet.
Dit werk is historisch interessant niet alleen voor de historische en topografische verwijzingen hierboven beschreven, maar ook omdat het getrouw de beschrijving van de Passio weergeeft, eigenlijk om aan de geest van de toeschouwer, ook door spirituele opbouw, de ogendblikken van de passie en de dood van de martelaar opnieuw op te roepen.
Het parallelisme met de passie van Christus is uiterst levendig vanaf de eerste scene die de geseling aan de kolom voorstelt.
In de laatste afbeelding herinnert de notabele met de traditionele kledij van de Romeinse soldaten in de klassieke weg naar het kruis aan de honderdman van de kruisiging.
Een ander interessant element zijn de verschillende personen uit de omgeving met uitdrukkingen van opmerkelijke onverschilligheid of verbiijsterende nieuwsgierigheid en zeker niet afschikking of medelijden. Zij schijnen niet een afgrijzelijk foltering maar een serene afwerking van een rite bij te wonen.
In alle scenes , op uitzondering van de eerste, is de Goddelijke aanwezigheid weergegeven, meestal met een lichtstraal, die uit een wolk neerdaalt.
Vertaling en Bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
Het is een typisch plattelandskerkje maar architectonisch de meest geëvolueerde van alle andere, voornamelijk door het open klokkentorentje (gekend als campaniletto a vela). Het kerkje staat op de helling van de Colle di S. Martino in de nabijheid van het oude tracé dat van Trevi naar de vallei in de richting van Foligno afdaalde.
Volgens de architectonische elementen werd ze opgericht in de XIII de eeuw vermoedelijk op de ruïnes van een vorig gebouw. Natuurlijk wordt ze vermeld in de oudste lijsten .1.
In de XIXde eeuw werd ze beroofd van haar meubilair en verkocht aan private personen (familie Ciaffoni en later aan anderen). Gebruikt als schuur werd het samen met het nabijgelegen huis verworven door de Familie Caporicci, die in het midden van de 80-er jaren het gerestaureerd heeft tot een perfect gebruik.
Zoals vele romaanse kerkjes uit dezelfde periode in Trevi en zijn omgeving is het het meest architectonisch geëvolueerde, “ met een halfcircelvormige apsis en open klokkentoren, zoals gewoonlijk boven de voorgevel; maar de muren lijken met een oudere materie gemaakt aan de rechterkant en de deur, in tegenstelling tot de anderen, is met een architraaf.2
Zoals alle gebouwen uit die tijd is de apsis georiënteerd naar het oosten. Het interieur bestaat uit één schip, met de zoldering ondersteund door twee ogiefbogen. Het licht komt door twee zeer smalle vensters boven de ingang en in de apsis. Twee andere kleine vensters zijn er op de zijmuren, ter hoogte van het koor.
Op de zuidzijde is er een deur, ook met architraaf, die vroeger toegang gaf tot de sacristie , maar nu niet meer bestaat.
Voor de opbouw werden materialen van vroegere gebouwen
Questa foto ormai “storica” del 1979, opera del mai dimenticato Sandro Ceccaroni, correda la prima guida moderna di Trevi.2 . Gli osservatori di spalle sono L’avv. Carlo Zenobi e Franco Spellani
Vertaling en bewerking Ludo De Graef – Antwerpen 2010
1)Sella, Rationes decimarum Italiae nei secoli XIII e XIV, Umbria, Città del Vaticano 1952
2)Nessi, Silvestro – Ceccaroni, Sandro, 1979, Da Spoleto a Trevi lungo la Flaminia, Panetto e Petrelli, Spoleto, 1979, pag. 153 e successive riedizioni: Trevi, guida turistica
Het interieur van de kerk wordt gekenmerkt door twee ogiefbogen die de zoldering ondersteunen.
De laatste interventie heeft, na het verwijderen van het erg beschadigde intonaco van stenen van de muren, die de delen met belangrijke fresco’s (affreschi.)beschermde, aan het licht gebracht.
Op de linker muur een tweeluik met H. Antonius van Padua en Madonna con Bambino uit het midden van de XVde eeuw:
Links van de apsis is de kerkheilige H. Petrus en bovenaan rechts in de apsis Christus op het graf en Madonna con Bambino
Bij de verwijdering van het massieve altaar is de originele tafel en eronder een klassiek grafopschrift (epigrafe funeraria classica) die in muur ingewerkt werd
Aan de linkerkant van de apsis vindt men deze prachtige figuur van de heilige Petrus, patroonheilige van de kerk, welke Nessi dateerde aan het begin van de 15de eeuw.1
Meer recentelijk werd het toegewezen aan Bartolomeo da Miranda die in de vierde decade van de 15de eeuw erg aktief was in deze zona, vooral in het nabijgelegen Pietrarossa2. Recentelijk werd één van zijn werken in Bovara gevonden (sua opera a Bovara. )
Langs de linkermuur bevindt zich , nogal goed bewaard, een tweeluik met S. Antonius van Padua en Madonna met Kind. De versiering van het kleed van de Madonna met mooi gelaat is origineel. In de inscriptie kan men nog een deel van de datum bemerken: M4.., in volstrekte overeenkomst met de toewijzing van Nessi, die in zijn tijd omwille van de aanwezigheid van verschillende gedeponeerde voorwerpen, de basis van het schilderij niet kon onderzoeken.
De drapering van de figuur van de Madonna wijst naar de hand van Bartolomeo da Miranda of één van zijn leerlingen (onuitgegeven 2006)
Deze fresco gedateerd 1525, wordt toegeschreven aan
Paolo Bontulli da Percanestro.
De geometrische versiering van de achtergrond is identiek aan deze van de vereerde beeltenis van de Madonna della Stelle.
L’affascinante vista che offre Trevi é tipica, oltre che per la morfologia dell’abitato, per essere questo completamente incorniciato da olivi: 200.000 piante nella fascia collinare. Salvo rarissime eccezioni infatti (qualche quercia superstite e pochissime piante da frutta) tutta la collina da quota poco inferiore a 300 m fino a quota m 600, è letteralmente coperta da soli olivi.
Pur non esistendo l’olivo in Umbria allo stato naturale, vi fu introdotto in tempi remotissimi, sicuramente già dal tempo della dominazione di Roma. (vedi: TRADIZIONE e STORIA)
Il documento più antico in cui è menzionato un olivo a Trevi è il racconto del martirio di S. Emiliano (PASSIO SANCTI MILIANI MARTIRIS), un codice del IX secolo che si ritiene essere una copia di altro codice più antico (5° o 6° secolo). Nel racconto dei vari supplizi a cui fu sottoposto il martire si dice che fu legato ad una novella pianta di olivo per essere decapitato. L’olivo indicato dalla Passio è stato da allora identificato con un albero ultramillenario tuttora esistente Bovara, chiamato appunto l’OLIVO di Sant’Emiliano
Nel 1491 il Comune fece due mole nuove per il “molino a olio” sul Clitunno alla Faustana.
Dal 16° secolo attenzioni sempre crescenti vennero dedicate all’olivicoltura, ma l’impulso decisivo fu dato dai provvedimenti governativi nel 18° e19° secolo.
Fino all’immediato dopoguerra i maggiori proprietari molivano l’olivo in casa. In un documento del governo napoleonico nel territorio di Trevi si annoveravano 27 mole, numero rimasto invariato fino agli anni Quaranta.
Dal 1994 (anno della costituzione) al 2001 il Sindaco di Trevi è stato Presidente dell’Associazione Nazionale Città dell’Olio Attualmente (2006) è membro del Consiglio di Amministrazione.
Per offrire ulteriore possibilità di conoscere e assaggiare il rinomato
olio
extravergine di oliva di Trevi, dal 1995 si celebra la festa dell’olio nuovo.
La manifestazione (che prima cadeva in dicembre) dal 2001 è stata anticipata all’ultima domenica di ottobre.
In piazza Mazzini si può gustare la bruschetta con il migliore olio nuovo offerto dai produttori locali e si possono acquistare olio e altri prodotti tipici locali.
Al contrario del vino che necessita di invecchiamento più o meno lungo, l’olio non migliora con il tempo. Sono necessari soltanto due o tre mesi perché chiarifichi e si stabilizzi, ma sulla bruschetta e sui legumi l’olio pregiato può essere consumato appena esce dalla centrifuga senza neppure essere filtrato. Il forte sapore di frutto e il gusto “piccante” ne fanno un condimento già completo secondo il vecchio detto: Vino vecchio; olio nuovo.